WaterwegActueel
Editie Vlaardingen / Maassluis / Schiedam / Hoek van Holland

‘SCHIEDAMSE DIE 35 JAAR NIET AT EN DRONK’

SCHIEDAM- Deze maand is het 166 jaar geleden dat het fenomeen Engeltje van der Vlies kwam te overlijden, die wonderlijke Schiedamse vrouw, die midden negentiende eeuw de wereld versteld deed staan. Naast de heilige Sint-Liduina (1380 – 1433) had Schiedam er bijna een tweede heilige bij gehad met Engeltje (1787 – 1853), maar het liep uiteindelijk anders.

Op 20 augustus is het 232 jaar geleden, dat te Schiedam werd geboren Engeltje Van der Vlies, die in 1853 is overleden te Pijnacker, waar ze werkte als dienstbode. De laatste vijfendertig jaren van haar leven zou ze geen voedsel en de laatste eenendertig jaar van haar leven ook geen drank meer hebben genuttigd. De door de overheid aangestelde bewaaksters brachten onder ede hierover verslag uit. Men stond voor een biologisch raadsel …”

Bewezen is dat Engeltje van der Vlies, de Schiedamse dienstbode, die vijfendertig jaar van haar leven geen voedsel zou hebben gebruikt, zonder meer een bedriegster was. In Pijnacker heeft men het geweten en niet voor niets zong de jeugd nog jaren een spotlied van de volgende inhoud: ‘Engeltje van der Vlies at niet, maar o wonder! Toen ze stierf had ze toch grutjes in haar donder.’ Want dat was het resultaat van de sectie, die dokter Ravenek in 1853 na haar overlijden verrichtte.

Ondertussen was er dan de oorkonde, ingemetseld in de muren van de oude kerk van Pijnacker, waarin het wonder van Engeltje haar voortdurende vasten was geboekstaafd en ondertekend door alle leden van de kerkenraad. De oorkonde bestaat nog: ze is in 1891 toen de kerk werd afgebroken weer in de muren van de nieuwe kerk ingemetseld, zij het dan dat de kerkenraad er toen de aantekening bijvoegde, dat het hele geval op bedrog berustte. Men vindt in Tijdspiegel 1894 een verhaal over Engeltje van der Vliest, waaraan de volgende bijzonderheden zijn ontleend: ‘Ze is in 1787 in Schiedam geboren en kwam op 6 juli 1805 bij dominee J. Hoek in Pijnacker als gedienstige. Na diens dood in 1814 bleef zij bij Elizabeth Hoek , de dochter van de dominee. Haar kwaaltjes – ze was ziekelijk – bestreed ze met bloedzuigers, Spaanse vliegen en garouzalf. In 1881 begon ze met haar voorgewende vasten. Niet eten en drinken en toch blijven leven. Het maakte haar weldra tot de bezienswaardigheid van Pijnacker; duizenden vreemdelingen dromden langs het kamertje, waar ze bleek en wat pufferig zat te breien, te lezen of te naaien.’

L.Schipper anno 1854 dichtte:
Zou ooit een Engel liegen
En toch.. een Engel loog
Die Engel dorst verklaren
“Ik heb, in dertig jaren,
Noch nat geproefd, nóch droog!”
Eerst wilde ze niets van een zorgvuldige controle weten. Ze zei: “Je kunt het geloven of niet, ik doe het niet voor giften of gaven, ik heb niks nodig; met mijn handen verdien ik genoeg om mijn slijtage te vergoeden…” Maar in 1826 haalde burgemeester Van der Braak Engeltje over tot een nauwkeurig onderzoek. Ze liet zich vier weken lang bewaken door vier vrouwen, afwisselend twee weken aan twee voor dag en nacht. De vier bewaaksters rapporteerden steevast: ‘Het bed nauwkeurig gevisiteerd, de patiënte uitgekleed en verschoond; niets gevonden’. Het mysterie groeide, het gerucht verspreidde zich tot over de grenzen. In 1828 kwamen er duizend nieuwsgierigen naar Pijnacker, sommigen uit verre landen. Ook de chirurgen Grootenboer, de Delftenaren dr. A. van Stipriaan Luiscus en chirurgijn J. Voorstman, die haar op ongeregelde tijden bezochten, konden geen verklaring vinden. Ze schreven haar opgewektheid toe ‘aan de krachtige ondersteuning die de Christelijke godsdienst aan haar ware belijders zo ruimschoots verschaft…’ Zo kon Engeltje van de Vlies de bezienswaardigheid blijven die zij was.

In 1827 werd het verslag van Stipriaan Luisçius en Vorstman (met prent) voor 60 cent in de verkoop gebracht; de opbrengst ervan was bestemd om in Engeltjes – medische – behoeften te voorzien. In 1838 werd om diezelfde reden haar portret verkocht. Ook moeten er collectes voor haar zijn gehouden. Zeker is dat dat gebeurde op 20 november 1845 in de Christelijk Afgescheiden Gemeente te Dordrecht.

Vanaf 19 december 1826 behoorde Engeltje van der Vlies ‘tot die zeldzame voorwerpen, die eenen zeer aanmerkelijke tijd zonder eenig vast of vloeibaar voedsel kunnen bestaan, tevens met stilstand van eenige functies, die hiermede in verband staan’. Kortom, een medisch wonder. Ze had een document getekend, waardoor de medische wereld na haar dood over haar lichaam mocht beschikken. Ze had daarvoor een geldelijke beloning ontvangen. Toen ze dan eindelijk in 1853 stierf in de ouderdom van 66 jaar, verrichtte dokter Ravenek zijn sectie, waaruit zonneklaar bleek, dat ‘zij kort voor haar verscheiden die aardsche tabermakel nog goed bedacht had’. De ontknoping kwam als een anticlimax. Dr. Ravenek moet tegen de familie Hagen, bij wie ze inwoonde, zijn uitgevaren: ‘Hoe komen die grutjes en die karnemelk in haar maag?’ En Hagens bekende: ‘In de bedstee van Engeltje zat een doorgeefluikje, dat uitkwam in de bedstee van der familie Hagens. Via dat luikje kwam het voedsel en het drinken dat Engeltje in leven had gehouden.’

Zo eindigde dan het Wonder van Pijnacker.

GEEF UW MENING!!

Plaats een reactie onder dit bericht op deze site (scrol naar beneden). Gebruik uw vrijheid van meningsuiting!

LET OP!! Spreek vrijuit, maar reacties die oproepen tot geweld en verwensingen met ziektes worden niet getoond.

Publicatie kan (soms) enige tijd duren.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *